|
Pieter Wiegersma
Pieter Wiegersma wordt geboren in het Brabantse Deurne op 2 juli
1920. Hij is de tweede zoon van de arts Hendrik Wiegersma
(1891-1969) en Petronella Daniëls (1892-1962). Pieter groeit met
zijn vier broers op in een welvarend en artistiek milieu. Zijn
vader gaat op latere leeftijd, als Pieter ongeveer 5 jaar oud
is, schilderen. Hoewel autodidact wordt Hendrik Wiegersma vrij
snel een bekende schilder, wiens werken op tentoonstellingen
goede recensies krijgen. In zijn grote huis ‘De Wieger’
ontvangt hij veel nationale en internationale kunstenaars: Ossip
Zadkine, Jozef Cantré, Constant Permeke, Moissy Kogan, Piet
Wiegman, Joep Nicolas, Albert Helman, Jan Engelman zijn er
regelmatige bezoekers. Na de kleuterschool bij de zusters en de
lagere school bij de fraters in Deurne, bezoekt Pieter van 1931
tot 1935 de katholieke kostschool Rolduc in Kerkrade. Nadat hij
van school gestuurd is, maakt hij de driejarige HBS af in
Eindhoven. In 1936 vertrekt hij naar de kunstacademie
‘Kunstoefening’ in Arnhem. Ofschoon eigenlijk een vijfjarige
opleiding studeert hij in twee jaar af en vestigt hij zich in
1938 als zelfstandig glazenier op de zolder van het grote huis
van zijn vader.
|
Glazenier in
Deurne
In
die eerste jaren maakt hij ramen voor verschillende kerken in
Brabant, o.a. in Deurne en Eindhoven. Het is een moeilijke tijd:
crisis, weinig werk en veel invloed en bemoeienis van zijn
vader. De oorlog breekt uit. Op 25 maart 1941 wordt hij samen
met zijn vader opgepakt op verdenking van illegaal wapenbezit en
anti-Duitse propaganda en afge |
 |
|
voerd naar cel 4 van De Koepelgevangenis in Breda. Twee
maanden later wordt hij weer vrijgelaten wegens gebrek aan
bewijs. In 1942 trouwt hij met Flossy Goyarts, die hem in de zes
daarop volgende jaren vier kinderen schenkt: Wieger (overleden
in 1948), Janne, Alja en Tjerk. Na hun huwelijk nemen ze hun
intrek in het Klein Kasteel in Deurne, dat ze huren van hun
vriend Theodoor (Toti) de Smeth. Hij richt er een glasatelier in
en maakt clandestien kleine nationalistische raampjes, met
teksten als “den vaderland getrouwe” en met wat nationale
symbolen, snel gemaakt werk om de kost te verdienen. In november
1943 wordt hun huis gevorderd door de Grüne Polizei, waarna ze
bij Toti de Smeth intrekken op het tegenoverliggende Groot
Kasteel. In 1944 wordt het Groot Kasteel gevorderd door de SS.
Pieter wordt met vrouw en kind op straat gezet. Ze vluchten
naar De Wieger. Al hun bezittingen gaan bij de beschietingen
van het Groot Kasteel door de Engelsen bij de bevrijding van
Deurne in september 1944 verloren. Pieter gaat in vrijwillige
dienst bij het Engelse leger. Na de oorlog tolkt hij bij
rechterlijke uitspraken en helpt als verbindingsofficier bij het
vaststellen van de Oder-Neissegrens. Samen met zijn vriend, de
architect Gillis Holst, bouwt hij een woonhuis tegenover De
Wieger, waar het gezin ruim twee jaar blijft wonen. Als Theodoor
de Smeth in 1948 naar Hilversum verhuist om daar
gemeentesecretaris te worden, koopt Hendrik Wiegersma het Klein
Kasteel en nemen Pieter en Flossy er met hun kinderen voor de
tweede keer hun intrek. Een tijd van hard werken volgt. Doordat
er talloze ramen in de oorlog zijn vernield, moet er veel
opnieuw beglaasd worden. Pieter ontwerpt en voert, meestal samen
met een of twee assistenten, ramen uit voor kerken, onder andere
in Eindhoven, Nijmegen, Maastricht maar ook voor
gemeentehuizen en scholen. Vanaf 1957 maakt hij alleen nog de
ontwerpen en schildert het glas. De technische uitvoering laat
hij over aan glasatelier Flos in Steyl. In 1952 krijgt hij zijn
meest prestigieuze opdracht: drie gebrandschilderde ramen voor
de doop- en Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch.
Tussen 1955-1959 voert hij zijn grootste opdracht uit: de
complete beglazing (veertig ramen) voor de St. Willibrorduskerk
in Liessel. De beglazing van deze kerk behoort tot zijn beste
werk. In 1959-1960 ontwerpt hij het interieur van de crypte en
de sarcofagen in marmer intarsiatechniek en de beglazing van de
huiskapel van kasteel De Haar te Haarzuilens. Een vergelijkbaar
groot project voert hij uit voor de Zusters van Liefde in
Schijndel, waar hij vanaf 1954 de kans krijgt niet alleen acht
vensters van glas-in-lood te voorzien, maar ook het
interieurontwerp en de inrichting voor zijn rekening te nemen.
In de kapel realiseert hij in de jaren vijftig en zestig een
altaar, een wijwatervont met marmerintarsia en een wandtapijt.
Voor Pieter zijn deze beide interieuropdrachten van groot belang
in zijn totale oeuvre.
|
Wandtapijten
Tot begin jaren zestig voert Pieter vooral grote
glas-in-lood-opdrachten uit. Daarna, als de kerken als gevolg
van de deconfessionalisering geen geld meer hebben voor grote
opdrachten en zelfs moeten sluiten of voor andere doeleinden
gebruikt worden, moet Pieter wat nieuws bedenken. Hij
experimenteert met gespoten glas, marmerintarsias, bronspanelen,
mozaïeken, maar het meeste succes heeft hij toch met zijn
ontwerpen voor grote wand
|
 |
|
tapijten.
Tot
op heden heeft hij ongeveer 150 tapisserieën gemaakt voor
kantoren, banken, gemeentehuizen en zorgcentra en vooral ook
voor vele particulieren in binnen- en buitenland. De gobelins
zijn aanvankelijk uitgevoerd door de weverij van Edmond de
Cneudt in Baarn, vanaf 1968 veelal door weverij De Uil in
Amsterdam. Ze zijn geweven met handgesponnen wol waaraan geen
chemische kleurstoffen zijn toegevoegd. Pieter maakt gebruik van
het effect van de natuurlijke kleuren van de schapenwol, van
alle tinten tussen zwart, bruin, grijs en wit. Slechts af en toe
helpen plantaardige verfstoffen om de juiste kleurnuance te
verkrijgen. De meeste tapijten zijn ongeveer twee meter breed
bij een hoogte van ruim een meter. Maar er zijn ook enkele zeer
grote formaten bij: ‘Water’ in het Schielandhuis in Rotterdam
meet 6.80 x 2.50 meter en ‘Zonnebloemen’ in het Provinciehuis
van ’s-Hertogenbosch 4.75 x 3 meter. In zijn wandtapijten zien
we een heel andere stijl. Niet het heroïsche, het zegepralende
van de bijbelse figuren in de felle kleuren van zijn
gebrandschilderd glas, maar het nietige, het intieme van de
verstilde natuur: een tak, een rietpluim, een schermbloem,
uitgevoerd in witte en bruine draadjes wol of in zachtgekleurde
zijde.
|
|
Schilder en tekenaar
Ook al werkt Pieter Wiegersma in de eerste
vijfentwintig jaar van zijn artistieke carrière vooral als
glazenier en ontwerper, hij heeft toch ook zijn hele leven
geschilderd, vooral gouaches en aquarellen. Landschappen en
bloemstillevens zijn zijn favoriete onderwerpen, de natuur in
alle seizoenen, natuurlijk Deurne en de Peel, maar ook het
landschap van Zuid-Frankrijk, waar hij vanaf 1971 |
 |
|
elk jaar een aantal maanden verblijft in zijn
huis in Roquebrune aan de Middellandse zee. Bij
vlagen maakt hij in korte tijd een grote hoeveelheid
pentekeningen; het vrouwelijk naakt is dan een geliefd thema.
Uit het hoofd, zelden of nooit naar model, zet hij met vaste
hand de lijnen op papier. Naakten in diverse standen, vanuit
allerlei posities, meestal het hele lichaam, soms afgesneden. De
beste zijn vlot en gedurfd getekend, soms gewassen, wanneer hij
de lijnen met zijn penseel of met zijn duim een met water
verdunde streek als volume meegeeft. Hij werkt net zoals de
expressionisten in de jaren twintig, maar dan zonder de bewuste
vervormingen. Zijn naakten zijn niet realistisch. De anatomie
hoeft niet precies te kloppen, maar ze moeten wel expressief
zijn. Soms werkt hij zijn naakten uit in aquarel of gouache. Er
komt dan meer stilering in, waardoor zij soms de schwung van
zijn tekeningen missen.
|
|
Met
gebonden handen valt niet te werken
In
1965 neemt hij het initiatief tot oprichting van een museum voor
de kunst van het interbellum. Twintig jaar lang, tot 1985, is
hij directeur van museum Dinghuis, dat vanaf 1976 gehuisvest is
in het tot museum omgebouwde voormalige woonhuis van zijn vader
en vanaf dat moment museum De Wieger heet. De tijd dat hij het
artistieke programma samenstelt voor dit museum is een periode
van zijn leven die in interviews vaak ter sprake komt. De
schilderijen van Hendrik Wiegersma en het werk van zijn
kunstzinnige vrienden vormen de basis van de collectie van het
museum. Vanaf de opening in 1965 fungeert hij als artistiek
adviseur, de eerste tien jaar onbezoldigd vanuit zijn positie
als lid van de Dinghuiscommissie, vanaf 1976, als het museum
verhuisd is naar De Wieger, als artistiek directeur met een
jaarcontract op free-lance basis voor een bescheiden salaris.
Het is altijd met gemengde gevoelens dat hij over deze periode
praat. Enerzijds enthousiast over de tentoonstellingen die hij
maakte, over de contacten met kunstenaars, over de aankopen die
hij deed. Anderzijds teleurgesteld over de weerstand die hij
ondervond, over het gebrek aan geld en waardering. "In die
eerste jaren had ik slechts een aankoopbudget van 2500 gulden
per jaar, na vijf jaar werd dit verhoogd tot 5000 gulden. Het
was de tijd waarin ik voor een paar duizend gulden een Sluyters
kocht en een Schumacher, werken waarvoor nu 'n vermogen betaald
wordt door de grote particuliere verzamelaars." Pieter stelde
tentoonstellingen samen over Willink, Zadkine, Gestel en Van
Rees in een tijd dat er weinig aandacht was voor figuratieve
schilderkunst. Hij ontdekte onbekende kunstenaars, maakte
exposities en onttrok hen daarmee aan de vergetelheid: Hugo
Landheer, Eppo Doeve, Otto B. de Kat. In het met bescheiden
middelen opbouwen van een belangrijke collectie en in het
organiseren van tentoonstellingen over kunstenaars waarvoor toen
niemand oog had, ligt zijn grote verdienste en daarvoor kreeg
hij weinig erkenning. In 1985 zet hij er na twintig jaar een
punt achter, niet alleen omdat hij de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt heeft, maar ook omdat hij de voortdurende
bezuinigingen op zijn begroting beu is. In een interview uit die
periode zegt hij het als volgt: "Met gebonden handen valt niet
te werken. (...) Ik zie niet om in wrok, ik heb in de kunst nog
een toekomst voor me."
Exposities
Tot
1980 exposeert Pieter Wiegersma weinig. Dit wordt vooral
veroorzaakt doordat hij als monumentaal kunstenaar meestal in
opdracht werkt, maar ook omdat hij, door zijn werk voor De
Wieger, weinig tijd heeft voor tijdrovende bezigheden als het
inrichten van tentoonstellingen, een activiteit waarmee hij
zich, perfectionist als hij is, graag tot in de kleinste details
bemoeit. In 1980 is er ter gelegenheid van zijn zestigste
verjaardag voor het eerst een grote overzichtexpositie van zijn
werk: wandtapijten, aquarellen, gouaches en tekeningen in het
Singermuseum in Laren. Dezelfde tentoonstelling is daarna ook te
zien in museum De Wieger in Deurne. In 1982 is er opnieuw een
expositie, dit keer in kunsthandel Borzo in ’s-Hertogenbosch,
waar naast wandtapijten en schilderijen ook keramiek te zien is.
Vooral in de eerste helft van de jaren tachtig beschildert
Pieter Wiegersma keramische schalen en borden, die op zijn
aanwijzingen gedraaid en gebakken worden in een atelier in
Vallauris in Zuid-Frankrijk. Pieter beschildert ze in zijn
atelier in Roquebrune en glazuurt ze daarna zelf in Vallauris,
waarna ze de oven in gaan.
Exposities, vergelijkbaar met Borzo, vinden in de jaren tachtig
nog plaats in het Jan Cunencentrum in Oss en in Galerie ’t
Begijntje in Lochem.
|
De ramen van
Schiebroek
Zoals gezegd kreeg Pieter vanaf de tweede helft
van de jaren zestig geen kerkelijke glas-in-lood opdrachten
meer, des te opmerkelijker is de vraag die hij in 1984 van het
kerkbestuur van de Paulusparochie in het Rotterdamse Schiebroek
krijgt: twee grote Paulusramen ter gelegenheid van het 50-jarig
bestaan van de kerk. Na de realisering hiervan komen er al snel
vervolgopdrachten. Uiteindelijk heeft Pieter |
 |
|
Wiegersma in een periode van acht jaar
alle vensters van de kerk van nieuwe ramen kunnen voorzien. Een
indrukwekkende prestatie van een kunstenaar die bij de
onthulling van het laatste raam in 1992 zelf inmiddels 72 jaar
is geworden. Het bijzondere van de ramen van Schiebroek is dat
ze de thema's van de moderne geloofsgemeenschap van die tijd
symboliseren: de kerk van de oecumene, de kerk van de
tolerantie, de kerk van de vrede, de gerechtigheid en de
heelheid van de schepping. Pieter Wiegersma ontwierp in totaal
dertig grote en kleine ramen rondom de figuur van Paulus en
rondom het Zonnelied van Franciscus, in een prachtige,
eigentijdse iconografie. Naast veel klassieke, christelijke
symbolen gebruikte hij in zijn ontwerpen ook symbolen uit het
boeddhisme en de islam. Maar hij liet zich ook inspireren door
de actualiteit van dat moment. Zo ontstond in 1990, precies
vijftig jaar na het bombardement op Rotterdam, het raam Stad
zoekend naar het hart, een monumentaal raam boven de
hoofdingang, dat verwijst naar De verwoeste stad van
Ossip Zadkine.
|
|
Een
steen die sieraad wordt
In 1987 en 1997 worden zijn sieraden in het
Singermuseum in Laren getoond. De basis van elk van zijn
ontwerpen is een steen. Een eenvoudige natuursteen, gewoon
gevonden op het strand van de Middellandse Zee in de omgeving
van zijn huis in Roquebrune. "Er liggen miljoenen stenen maar dé
steen kom je slechts af en toe tegen. Het gaat erom dat je díe
steen vindt, die de complete vorm heeft, die direct sieraad
wordt." In de uitnodiging voor de expositie van 1997 schrijft
hij: "Ik heb gebouwd op eeuwigheid en schoonheid van de gestolde
oermaterie, geslepen en |
 |
|
gevormd door de golven van een nooit
aflatende beweging van de zee". De
Utrechtse edelsmid Willem Noyons voert zijn ontwerpen uit. De
onbewerkte stenen met de meest wonderlijke vormen, kleuren en
tekens worden gevat "in een gouden kooi om te dienen als sieraad
voor haar, de vrouw, symbool van moeder aarde. Zij zal de steen
dragen als symbool van haarzelf met de trots die bij een
onderscheiding past."
Pieter heeft tientallen ontwerpen gemaakt, allen unica. In de
vitrines van de museumcorridor van het Singer richt Pieter
Wiegersma de tentoonstelling zelf in. De colliers zijn in een
natuurlijke omgeving geplaatst tegen de achtergrond van het
bijna zwarte hout van een minstens zes eeuwen oude eik, die niet
ver van Deurne langs de E3 werd opgegraven. Ook dat is Pieter
Wiegersma: tot in het kleinste detail wil hij betrokken zijn bij
de presentatie van zíjn kunst, of het nu gaat om de inrichting
van een expositie of om de keuze van het lettertype en de
bladspiegel van een begeleidende publicatie.
|
Constructieve
wandobjecten
Niet alleen als glazenier en ontwerper ontwikkelt
Pieter Wiegersma zich, ook als schilder laat hij in de jaren
negentig nieuw werk zien. In Galerie Quintessens in Utrecht
toont hij in 1995 gouaches waarin het figuratieve element, een
tuinslang, een bos touw, een venkel, een paar bonen, omgeven
wordt door strakke constructieve vormen. Hij schildert
alledaagse voorwerpen, onopvallende objecten, die, nu ze uit- |
 |
|
vergroot worden, een meerwaarde krijgen,
een bijna vervreemdend effect door het scherpe contrast van de
organische en de geometrische vormen. Ook de stijl en het
kleurgebruik zijn veranderd: realistisch getekende voorwerpen,
soms met sterke afsnijdingen en warme, egale kleuren in de
achtergrond. Een jaar later laat Pieter Wiegersma in galerie
Stijl in Arnhem werk zien, waarin het constructieve element nog
verder doorontwikkeld is. Begin jaren negentig werd hij
getroffen door de vorm van fruitkistjes. De maten ervan zijn
gebaseerd op die van het fruit dat er in vervoerd wordt. Hij
ging er mee spelen, begon een onderzoek naar maten en vormen.
Hij verzaagde de kistjes, construeerde ze opnieuw, maakte er
driedimensionale composities van en beschilderde de nieuw
verkregen vlakjes. In eerste instantie lijkt het op wat de
constructivisten in de jaren twintig deden, maar Pieter
Wiegersma kent dat werk veel te goed om het alleen te kopiëren.
Hij verdiept het, maakt het spannend, tenminste voor wie
gevoelig is voor de magie van het vierkant en de cirkel.
|
Postbode van
de hemel
Halverwege de jaren negentig gaat Pieter
Wiegersma voor het eerst schrijven. Literair-historische
verhalen: over persoonlijke herinneringen, over wonderlijke
ontmoetingen en gebeurtenissen. Het zijn de verhalen van een
geboren verteller, en bovendien van iemand die ook iets te
vertellen hééft, soms geschreven met humor, dan weer met een
ontroerende melancholie of met nauwelijks ingehouden woede over
de domheid van sommige mensen. Ze gaan |
 |
|
over de oorlog, over zijn werk, over het dorp van
zijn jeugd, over gewone mensen uit de Peel, maar ook over
beroemde figuren uit de wereld van de kunst en de kunstkritiek,
die hij eerst via zijn vader maar later ook zelf had leren
kennen. Hij schrijft over de grote Franse beeldhouwer van
Russische afkomst Ossip Zadkine, over de Vlaamse expressionist
Constant Permeke en de wonderlijke Zwitserse schrijver, dichter
en musicus Charles Albert Cingria. Maar ook over Nederlandse
kunstenaars als de dichter Jan Engelman en de schilder Otto van
Rees, met wie hij beiden goed bevriend was. De verhalen zijn in
1997 en 2000 gepubliceerd bij de Haarlemse uitgeverij In de
Knipscheer onder de titel De postbode van de hemel en
Vriendschap in enveloppen. Ze hebben de literatuur niet
vernieuwd, die pretentie hadden ze ook niet, maar ze zijn
allemaal boeiend en verrassend in hun levendige anekdotiek en
hun plastische details. ‘Interne kunsthistorie’ noemt Albert
Helman de memoires van Pieter Wiegersma in zijn inleiding voor
De postbode van de hemel, waarna hij het belang van deze
verhalen voor de ‘petite histoire’ van de literatuur- en de
kunstgeschiedenis onderstreept.
|
Voortdurend
vernieuwen
Ook al is Pieter Wiegersma de tachtig inmiddels
ruimschoots gepasseerd, hij blijft aan het werk en blijft zich
ontwikkelen in zijn nieuwe atelier bij Brussel, waar hij sinds
zijn vertrek uit Deurne in 1999 woont. Hij weet zich nog steeds
te vernieuwen. In zijn werk van de laatste jaren gaat het vooral
om een suggestie van het onderwerp, om een onderzoek naar vorm,
kleur en compositie. |
 |
|
Het
gaat hem niet om de realiteit, maar om de suggestie van de
realiteit. “Lyrisch constructivisme” Het gaat om een beeld, zijn
beeld, het beeld van de kunstenaar. En dat alles in zijn meest
pure vorm.
Lex
van de Haterd
November 2004 |
|